Voorbereiding
Over
de snelheid van 12 voetsjollen wordt veel gespeculeerd. Dat schip is snel
en die is niet vooruit te branden. Dat soort praat. Uiteraard zullen er
verschillen zijn, die niet te overbruggen zijn. Maar zolang een Viktor
Vos en een Dirk Jaap Kooistra Nederlands kampioen konden worden met schepen
die al meer dan 50 jaar oud zijn, zal iedereen tot de conclusie komen,
dat ook bij oude schepen veel mogelijk is. Een goede voorbereiding is
het halve werk. Daarom in dit hoofdstuk wat persoonlijke tips en trucs,
voordat je aan de start verschijnt. Daarna volgt een hoofdstuk over de
technische aspecten tijdens de wedstrijd en vervolgens een hoofdstukje
over "Na de wedstrijd".
Zijstagen
Mijn zijstagen staan altijd snoeistrak. Als je een stijve mast hebt, is
dat misschien minder noodzakelijk.De mast die Jeroen de Groot ooit voor
mij heeft gemaakt is redelijk buigzaam in langsscheepse richting. Wat
betreft gewicht is deze mast vrij licht en dat is denk ik wel voordelig.
Met behulp van de grootzeilval kun je de mast eerst op spanning zetten.
Gewoon vastbinden aan de ogen van de roeidollen, waarna je op je gemak
de wanten op spanning kunt zetten. De val weer losmaken en je mast is
vervolgens één geheel met de boot.
Gaffel
Strak doorzetten, betekent een vlakker zeil. Ook gaat de bolling in dat
geval wat naar voren. Iets losser zetten is beter. Zeker bij licht weer
als de boot gemakkelijk rechtop te varen is. Zet een streepje op de gaffel,
zodat je de volgende keer precies weet hoe strak het zeil moet worden
aangespannen. Bij zachte, matige of harde wind is het wel handig de spanning
iets aan te passen. De laatste tijd heb ik de gewoonte het zeil vrij los
te zetten op de gaffel. Een paar plooitjes kan geen kwaad.
Giek
Hetzelfde geldt voor de giek. In Italië varen ze met een losse broek.
Het zeil wordt zo bol getrimd dat de afstand van giek tot zeil wel 30
centimeter is. Heel handig bij hoge golven. In Nederland is een losse
broek niet toegestaan, maar een losse rijglijn kan geen kwaad. Als je
het oog van het achterlijk met een ring van touw aan de giek vastmaakt,
kun je met het achterlijktouwtje gemakkelijker de spanning op het onderlijk
regelen. Het hoeft allemaal niet strak te stak te staan. Ook niet met
harde wind.
Grootzeilschoot
De blokken op de giek moeten niet te ver van de giek zijn vastgemaakt.
Het staat wel mooi klassiek, maar is niet handig als je overstag gaat
en je hoofd blijft in de schoot steken. Ik gebruik twee schoten, één voor
lichtweer van 6 mm en, één voor hardweer van 8 mm. Een tape op de schoot
geeft precies aan hoe strak of los je aan de wind de giek vaart. Een paar
centimeter meer of minder kan al een wereld van verschil uitmaken. Dit
is een belangrijk onderdeel.
Zelflozers
Aanvankelijk had ik twee Elvström zelflozers in de boot. Ze lozen prima
voor de wind. Aan de wind echter niet. Het probleem is dat de 12 voetsjol
aan de wind onvoldoende snelheid maakt. Bij harde wind stond het water
door inkomende golven bij mij al snel boven de boekdellings. Dat is niet
bevorderlijk voor de snelheid. Vandaar dat er dit jaar nog twee supersuck
zelflozers bij in worden gebouwd.
Drijfvermogen
Omslaan is geen hobby van mij. Gelukkig is het me tot 2004 ook nog nooit
overkomen, alhoewel het soms niet veel scheelde. 120 liter drijfvermogen
is het minimum. 200 liter is beter. Ook een emmer en een dweil om op de
zwaardkast te leggen (hier stroomt water door) zijn nuttige hulpmiddelen.
Ook is het verstandig alle losse onderdelen, zoals boekdellings, zo te
bevestigen dat er niets weg kan drijven.
Gewicht
boot + bemanning
Hoe minder, hoe beter. Alhoewel dit fenomeen ook wel vaak overdreven wordt.
Een paar kilootjes meer of minder maakt echt niet zo veel uit. Het viel
me wel eens op hoe snel een jol met twee mensen erin nog vaart. Zelfs
voor de wind.
Neerhaler
De neerhaler is een belangrijk triminstrument. Zowel aan de wind als bij
ruime windse rakken. Mijn neerhaler is erg eenvoudig ingericht. Geen ingewikkelde
constructies. Een twee schijfsblok, een enkel schijfsblok met hondsvot
en een curry klem onder het bankje. Dat is alles en volgens mij voldoende.
Hals
Dezelfde constructie als de neerhaler.
Zwaardtalie
Dezelfde constructie als de neerhaler. Ook allemaal erg eenvoudig.
Roer,
helmstok, verlengstok
De helmstok borg ik met een stukje roestvrijstalen draadeind met twee
moeren. Speling tussen roerwangen en helmstok is wel taboe. Dat stuurt
zo rot. De verlengstok is een soort golfstick, bijna net zo lang als de
helmstok.
Hangbanden
.
Ze mogen wel aardig los staan, zodat je wat verder buiten boord kan hangen.
Het is wel verstandig een winter abonnement op de fitness te nemen, want
het komt wel aan op je bovenbenen en buik. Tegenwoordig gebruik ik een
hangbroek zodat je bovenbenen niet zo worden afgekneld. En als het allemaal
te gek wordt, is bemanning aan boord nemen een uitkomst. En vaak ook wel
zo gezellig.
Windvaan
In Nederland vaart iedereen met een windvaan boven op de mast. In Italië
doet niemand dat. Sommigen hebben wel een wollen draadje in het want vastgemaakt.
Het is dus maar net wat je gewend bent. Persoonlijk vind ik een windvaan
wel prettig. Echter geen moeilijke constructies. Gewoon een klemmetje
en een standaard windvaan die iets naar voren is gebogen.
De
wedstrijd
Volgens
mij hebben de beste zeilers drie zaken goed voor elkaar: techniek, tactiek
en de juiste psychische instelling. Over de laatste twee kun je hele avonden
bomen in het café, maar in deze handleiding wilde ik het maar buiten beschouwing
laten en uitsluitend het aspect snelheid, de techniek, gaan behandelen.
De uitdaging is snelheid uit je boot te persen. Vanaf de start tot aan
de finish. Daarom een beschrijving van de onderdelen, die van invloed
zijn.
Wrijvingsweerstand
Rond 1965 zeilde ik in een Flits. De kennis over wrijvingsweerstand was
minimaal. Het was toen mode autowas onder je boot te smeren om de wrijvingsweerstand
te verminderen. Een waterdruppel glijdt immers gemakkelijker van zo’n
oppervlakte af. Allemaal onzin. Gewoon goed schoon maken en je er verder
niet druk over maken. Als je naar de huid van een haai kijkt, valt op
dat deze vrij ruw is. De theorie zegt dat “water over water” minder weerstand
geeft dan water over een geverfd oppervlak. Misschien is een beetje zand
in de lak wel een heel goed idee. Het staat nog op mijn lijstje. Voorlopig
gewoon goed schoonmaken, lijkt me het beste.
Vormweerstand
De vormweerstand kun je goed testen voor de wind. Het zwaard is dan omhoog
en met je gewicht kun je vervolgens kijken wat het snelst gaat. In mijn
jol moet ik vrij ver achterin gaan zitten. Dat is me al een paar keer
opgevallen Voor de wind is dit aspect dus goed uit te proberen. Denk er
wel aan dat je met “losse handen”stuurt. Een roeruitslag van 1 graad kan
al 30% van de vormweerstand uitmaken, heb ik eens ergens gelezen.
Aan de wind is het allemaal wat ingewikkelder, omdat er dan veel meer
krachten op de boot werken. In elk geval beperk je aan de wind de vormweerstand
door de boot rechtop te varen. Goed ver buiten boord hangen. En als dat
allemaal niet meer lukt, vanwege de leeftijd of een slechte conditie,
doe je de grootzeilschoot wat losser en de neerhaler strakker. Op deze
manier kun je de boot ook heel goed rechtop varen.
Het
roer als verklikker van zeil- en lateraalpunt
Voor de wind moet je met “losse handen” kunnen sturen. Aan de wind niet.
Een klein beetje loefgierigheid is het beste. Hoe meet je dat: het stuur
los laten, waarna je boot automatisch in de wind moet gaan. Dit steekt
allemaal wel nauw. Tijdens de wedstrijd kun je het evenwicht tussen zeil-
en lateraalpunt het beste beïnvloeden door iets naar voren of naar achteren
te gaan zitten. Als je gewicht naar voren verplaatst, wordt de boot loefgieriger.
Als je de boot scheef laat gaan, verkrijg je ook loefgierigheid. Dit laatste
is echter weer ongunstig wat betreft de vormweerstand.
Als je eindelijk de juiste plaats hebt gevonden en dit wijkt behoorlijk
af van de plaats die je voor de wind als beste hebt genoteerd, is het
tijd voor meer rigoureuze oplossingen. Bijvoorbeeld de mast verder naar
achteren te zetten, door er een ander mastblok in te zetten. Ook het mastgat
heeft een kleine tolerantie. Als de mast verder achterover staat wordt
de boot loefgieriger. Een andere mogelijkheid om het lateraalpunt te beïnvloeden
is de zwaardbout naar voren te plaatsen. Op deze manier wordt de afstand
tussen zeil- en lateraalpunt vergroot, waardoor de boot weer loefgieriger
wordt. Als de boot behoefte heeft aan leigierigheid, is het ook mogelijk
het zwaard wat op te halen. Op die manier verplaats je het lateraalpunt
wat naar achteren. Zoals gezegd, kleine correcties van zeil- en lateraalpunt
zijn goed uit te voeren door je gewicht te verplaatsen. Naar voren voor
meer loefgierigheid. Naar achteren voor minder loefgierigheid. Het is
een zoektocht, maar heb je één keer het juiste evenwicht gevonden, dan
is het zaak er verder niet meer over na te denken en al je aandacht te
verleggen naar de tactiek.
Het
zeil als motor
Een bol zeil geeft meer lift dan een vlak zeil. Maar ook meer luchtweerstand.
De bolling naar voren is gunstig, omdat de wind dan als het ware aan de
lijzijde van het zeil blijft kleven. Een Molenaar tuig is redelijk bol
en de bolling is vrij ver naar voren gepositioneerd.
Vaart een jol hoger dan anderen, dan is dat perfect. Hoog en snel gaat
heel goed samen. De grootzeilschoot is daarbij een zeer belangrijk onderdeel.
Dit steekt erg nauw. Een paar centimeter strakker of losser kan al een
wereld van verschil uitmaken. Zoals gezegd, een stukje tape is een goede
verklikker.
Nog even een anekdote. In mijn Flitstijd werd er veel geëxperimenteerd.
Zo was het een tijd mode, een rits in het onderlijk te zetten. Voor de
wind los en dan had je een bol tuig. Mijnheer Molenaar zat in die tijd
nog zelf in de zaak en vond het allemaal overdreven. Maar het werd wel
uitgevoerd. Handel is handel tenslotte. Hij had uiteindelijk wel gelijk
en na een paar jaar was deze modegril ook weer voorbij.
De
neerhaler
Voor de wind moet de neerhaler zo afgesteld worden dat het achterlijk
als een trampoline werkt. Omdat de wind nooit constant is, betekent het
wel dat je de spanning op de neerhaler regelmatig moet aanpassen.
Aan de wind heb ik ook altijd spanning op de neerhaler staan. Denk er
wel aan dat je bij een ton, de spanning van de neerhaler haalt. Tijdig.
Als je dat niet doet, komt er veel spanning op de giek te staan en kan
die breken.
De
hals
Als je de hals aantrekt, wordt het zeil boller. De gaffel werkt immers
als een soort hefboom. Bij harde wind, is er iets voor te zeggen, geen
spanning op de hals te zetten. Het zeil wordt dan vlakker, waardoor je
de boot beter recht kunt houden.
Als je voldoende gewicht hebt, kun je de hals wel aantrekken. Er ontstaat
meer bolling en deze zit ook nog behoorlijk voorin. Resultaat: meer liftwerking.
De
roll-tack
Overstag gaan moet je niet te vaak doen in een jol. Zeker als je met je
tweeën zeilt kost het veel meters. Het scheelt wel als je de roll-tack
perfect beheerst. Hoe? De boot scheef laten gaan. Hij wordt dan loefgierig,
waardoor je geen roeruitslag hoeft te geven. Dat scheelt weer in de weerstand.
Door de wind gaan en de boot aan de andere kant weer scheef laten gaan.
Door snel je gewicht te verplaatsen trek je de boot weer recht en schep
je als het ware wind. En dat is weer gunstig voor de liftwerking. Het
kost veel oefening, maar het scheelt je meters in het kruisrak.
Na de wedstrijd
In
elke wedstrijd gaat wel iets fout. In mijn fanatieke jaren in de Vaurien,
heb ik wel eens een logboek bijgehouden. Alles van de trim werd dan genoteerd.
En ook tactische fouten, zodat je ze een tweede keer niet weer maakt.
In elk geval is het belangrijk dat je achteraf weet, waar je in de wedstrijd
fouten hebt gemaakt. Een volgende keer maak je ze dan niet weer.
Mocht het ondanks al deze tips toch niet lukken, bedenk dan dat de poging
mooier is dan de overwinning. En anders moet je gewoon meedoen vanwege
de gezelligheid van het randgebeuren of omdat je lekker bezig bent in
de natuur. Er zijn genoeg redenen om te genieten van het twaalfvoetsjol
zeilen. Veel succes met het nieuwe Molenaar zeil.
|